Aquarel leren en cursussen

Kleurtheorie voor aquarelkunstenaars: kleurencirkel praktisch uitgelegd

Marlies de Graaf Marlies de Graaf
· · 6 min leestijd

Stel je voor: je staat voor je werkblad, je hebt je penseel nat gemaakt, en je weet niet welke kleur je moet kiezen.

Inhoudsopgave
  1. De cirkel is geen decoratie
  2. Mengen is niet hetzelfde als kiezen
  3. Warm en koud: meer dan je denkt
  4. Begin met minder

Je grijpt naar een bak met twintig kleuren, en uiteindelijk meng je iets dat eruitzicht als modder. Herkenbaar? Dat komt niet omdat je geen oog hebt voor kleur. Dat komt omdat je niet weet waarom bepaalde kleuren werken en andere niet. En daar helpt de kleurencirkel bij — maar alleen als je weet hoe je hem moet lezen.

De cirkel is geen decoratie

De meeste mensen kennen de kleurencirkel van school. Een rond ding met rood, geel, blauw, en een hoop kleuren ertussen.

Maar in een aquarelatelier is die cirkel geen sier. Het is je gids.

Hij vertelt je welke kleuren elkaar versterken, welke elkaar neutraliseren, en welke je beter helemaal niet mengt als je frisse resultaten wilt. Drie kleuren staan aan de basis: rood, geel en blauw. Dat zijn de primaire kleuren. Je kunt ze niet maken door andere kleuren te menggen.

Alle andere kleuren in de cirkel zijn afgeleid van deze drie. Oranje is rood plus geel.

Aanliggende kleuren: je beste vrienden

Groen is geel plus blauw. Paars is rood plus blauw. Simpel, toch? Maar het wordt pas interessant als je kijkt naar waar die kleuren staan ten opzichte van elkaar.

Kleuren die naast elkaar staan in de cirkel — bijvoorbeeld geel en oranje, of blauw en groen — noemen we aanliggend of analoge kleuren. Ze delen pigmenten, en daarom mengen ze zacht en natuurlijk.

In aquarel is dat goud waard. Een landschap met een avondlucht waar geel overgaat in oranje en dan in rood?

Dat werkt omdat die kleuren familie zijn. Ze botsen niet. Ze vloeien in elkaar, net als water. Wat me opvalt is dat beginners vaak te veel contrast zoeken, terwijl juist de subtiele overgangen in een aquarel het mooiste zijn.

Complementaire kleuren: de spanning

Een schilderij met alleen aanliggende kleuren kan al heel krachtig overkomen, zonder dat je één complementaire kleur nodig hebt. Nu het spannende deel.

Kleuren die tegenover elkaar staan in de cirkel — rood tegenover groen, blauw tegenover oranje, geel tegenover paars — zijn complementaire kleuren.

Ze creëren maximale contrast. Als je ze naast elkaar gebruikt, laten ze elkaar oplichten.

Een rode tulp op een groene achtergrond? Dat werkt omdat rood en groen elkaar aanvullen. Maar hier gaan veel mensen fout. Ze mengen complementaire kleuren in één bakje water, en dan komt er modder.

Dat is geen toeval. Als je rood en groen in gelijke delen mengt, krijg je bruin of grijs.

In aquarel is dat soms precies wat je wilt — een natuurlijke schaduw, een stuk grond, een donkere boomstam. Maar als je het per ongeluk doet in een heldere lucht, dan is het klaar. Het trucje is: gebruik complementaire kleuren strategisch als je strategisch je vaardigheden wilt uitbouwen.

Niet mengen, maar naast elkaar leggen. Laat het papier het werk doen. Een laag geel laten drogen, en dan in één hoekje een tikje paars — ineens heb je diepte zonder modder.

Mengen is niet hetzelfde als kiezen

In aquarel gebeurt kleur niet alleen op je palet. Het gebeurt ook op het papier.

En dat maakt het lastiger én mooier. Een goede aquarel benut de transparantie van de verf.

Je legt een laag, je laat hem drogen, en je erbovenop gaat. De onderste laag schijnt erdoorheen. Dat betekent dat je kleurmengen op het papier anders werken dan op je palet.

Stel: je legt een dunne laag PY35 — dat is een helder citrongeel, te vinden in zowel Winsor & Newton als Holbein — en daarover een laag PB15, een krachtig pauwblauw. Op je palet zou dat een groen geven. Maar op het papier, met die transparantie, krijg je een levendiger groen omdat beide kleuren nog individueel zichtbaar zijn. Het oog mengt, niet de verf.

Dat is ook de reden waarop papier zo belangrijk is. Op een goed katoenen papier zoals Arches 300gsm blijven kleuren langer vochtig, waardoor je ze kunt beïnvloeden.

Op goedkoop papier droogt alles te snel, en dan kun je geen gelaagdheid bouwen. Je bent dan aan het vechten met je materiaal, in plaats van aan het schilderen.

Wat pigmentnummers met kleurtheorie te maken hebben

Ik zeg het vaak, maar pigmentnummers zijn niet saai — ze zijn vrijwel essentieel. Neem "rood". Er bestaan tientallen rode pigmenten, en ze gedragen zich compleet verschillend. PR101 is een aardachtig, dekkend rood.

PR112 is transparanter en veel krachtiger in kleur. PV19 — dat is quinacridoon — is helder en lichtecht.

Als je weet welk pigment in zit in je verf, kun je voorspellen hoe het mengt, hoe het droogt, en hoe het over jaren blijft. Veel merken verkopen sets met twintig kleuren, maar als je de pigmentnummers controleert, zit de helft uit dezelfde basis. Drie verschillende "groene" die allemaal op PG7 en PY3 gebaseerd zijn.

Dat is geen kleurenpalet, dat is marketing. Een goede set heeft een bewuste keuze van pigmenten die samen een volledig spectrum dekken. Schmincke doet dat beter dan de gemiddelde doos Van Gogh, eerlijk gezegd.

Warm en koud: meer dan je denkt

Elke kleur heeft een temperatuur. Rood, oranje en geel zijn warm.

Blauw, groen en paars zijn koud. Maar het fijne is: er bestaan warme blauwen en koude rode. Ultramarijnblauw is een warm blauw — het heeft een rode ondertoon.

Phtaloblauw (PB15) is koud, bijna ijsachtig. Als je die twee blauwen naast elkaat zet, zie je het verschil meteen.

In aquarel gebruik je dat voor ruimte. Wil je je aquareltechnieken naar een hoger niveau tillen? Warme kleuren komen naar voren.

Koude kleuren verdwijnen naar achteren. Een horizon met warm oranje voorgrond en koud blauw achtergrond? Dat voelt als diepte, zonder dat je iets speciaals hoeft te doen. De kleur doet het werk.

Holbein aquarelverf heeft iets minder korreling dan Winsor & Newton, maar de menging voelt net even anders — iets directer, minder speels. Dat beïnvloedt hoe je kleuren op het papier reageren. Het is een klein verschil, maar als je het eenmaal opvalt, zie je het overal.

Begin met minder

Mijn advies: begin met vijf kleuren. Geel (PY35 of PY154), een warm rood (PR101 of PR255), een koud blauw (PB15), en een aarde kleur zoals burnt sienna (PBr7).

Met die vier kun je bijna alles mengen. Voeg eventueel een donkere kleur toe — payne's grey of indigo — voor diepte. Je hebt geen twintig kleuren nodig om te begrijpen hoe kleur werkt.

Je hebt vooral oefening nodig met kijken. Meng twee kleuren, zie wat er gebeurt, noteer het. Doorloop deze oefeningen om je aquarelvaardigheden snel te verbeteren en herhaal.

Na een tijdje heb je een gevoel voor kleur dat geen boek je kan geven.

De kleurencirkel is geen examen. Het is een kaart. Gebruik hem, verken hem, en durf af te wijken als je werk het vraagt. Want uiteindelijk bepaalt niet de theorie hoe je schilderij eruitziet — jij bepaalt dat.


Marlies de Graaf
Marlies de Graaf
Aquarellist en materialenwinkelier

Marlies runt een kleine winkel in aquarelbenodigdheden en schildert zelf dagelijks met waterverf. Ze weet exact welke papiersoorten en pigmenten samenwerken zonder dat de inkt uitloopt.

✓ Geverifieerd auteur ✓ Aquarelverf en -materialen kopen
Marlies de Graaf
Marlies de Graaf
Aquarellist en materialenwinkelier

Marlies runt een kleine winkel in aquarelbenodigdheden en schildert zelf dagelijks met waterverf. Ze weet exact welke papiersoorten en pigmenten samenwerken zonder dat de inkt uitloopt.

Meer over Aquarel leren en cursussen

Bekijk alle 22 artikelen in deze categorie.

Naar categorie →
Lees volgende
Beste boeken over aquarelschilderen voor beginners vergeleken
Lees verder →